- single
- adj. enkel; eenpersoons-; alleenstaand; vrijgezel; ongetrouwd; voor één persoon (kamer, etc.); van vrijgezellen; gescheiden--------n. vrijgezel, ongehuwd; enkele reisje-kaartje; eenpersoons (kamer); "single" (kleine grammofoonplaat of disk); eenzaam, alleen--------v. uitkiezen, uitpikkensingle1[ singgl]I 〈telbaar zelfstandig naamwoord〉1 〈Brits-Engels〉enkeltje ⇒ enkele reis2 〈cricket〉één run3 〈vaak meervoud〉vrijgezel4 single ⇒ 45-toeren plaatje5 〈informeel〉bankbiljet van één dollar/pond6 〈honkbal〉honkslagII 〈meervoud〉1 enkel(spel) 〈in het bijzonder bij tennis〉————————single2I 〈bijvoeglijk naamwoord〉1 enkel(voudig)2 ongetrouwd ⇒ alleenstaand♦voorbeelden:1 single entry • enkelvoudig boekhoudensingle flower • enkelvoudige bloem〈economie〉 single tax • enkelvoudige belastingheffingII 〈bijvoeglijk naamwoord, attributief〉1 enig2 afzonderlijk ⇒ individueel3 eenpersoons-4 〈Brits-Engels〉enkele reis♦voorbeelden:2 in single file • in/op één rij, allemaal achter elkaarnot a single man helped • niet één man hielp3 single bed • eenpersoonsbed4 a single ticket • een (kaartje) enkele reis¶ in single file • achter elkaar (in de rij), in ganzenmars〈Amerikaans-Engels; economie〉 single liability • beperkte aansprakelijkheid〈economie〉 single market • binnenmarkt
English-Dutch dictionary. 2013.